Nieuw invorderingswetboek en de inhoudsplicht ten aanzien van aannemers

Nieuw invorderingswetboek en de inhoudsplicht ten aanzien van aannemers

Op 1 januari 2020 trad het ‘Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen’ in werking. Dit nieuwe wetboek verzamelt en uniformeert de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

Hoofddoel van het invorderingswetboek

Het hoofddoel van het nieuwe wetboek is de harmonisatie van alle federale invorderingsregels. De nieuwe regels gelden:

voor bepaalde federale belastingen, nl. de inkomstenbelastingen, de bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing , de btw, de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, de diverse taksen en het rolrecht;

interesten, boetes en vervolgingskosten met betrekking tot de bovengenoemde belastingen;

gewestelijke belastingen waarvoor de dienst nog niet werd overgenomen door de gewesten (in Wallonië worden momenteel nog veel gewestelijke belastingen geïnd door de federale overheid);

sommige niet-fiscale schulden.

Nieuw begrip: de medeschuldenaar

Een schuldenaar wordt omschreven als:

de persoon op wiens naam de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen zijn opgenomen in het kohier of in het innings- en invorderingsregister, of tegen wie de rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen werd uitgesproken; en

in bijzondere gevallen, de werkelijke schuldenaar van de onroerende voorheffing.

Naast de schuldenaar is er de medeschuldenaar die omschreven wordt als de persoon die niet in het kohier of in het innings- en invorderingsregister is opgenomen en in de mate dat deze gehouden is tot de betaling van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen op grond van dit Wetboek, de fiscale wetten, de wettelijke of reglementaire bepalingen met betrekking tot niet-fiscale schuldvorderingen of het gemeen recht.
Het gaat dan om personen die onder de vroegere wetgeving hoofdelijk aansprakelijk waren voor de betaling van de belasting, zoals de echtgenoot, bestuurders, overdragers van een handelsfonds, leden van een btw-eenheid.

Het nieuwe invorderingswetboek biedt aan deze medeschuldenaren enkele extra rechten toe... maar er zijn ook enkele voetangels.
Medeschuldenaars kunnen voortaan, net zoals de schuldenaar zelf, beroep doen op bemiddeling. Ook hebben ze het recht om een onbeperkt uitstel van invordering te vragen (wat neerkomt op een kwijtschelding van de schuld).

Aan de andere kant krijgt de fiscus ten aanzien van medeschuldenaren grotere invorderingsbevoegdheden. Zo konden erfgenamen voor een belastingschuld wel als schuldenaar aangesproken worden maar niet als belastingschuldige. Dat betekent dat de fiscus bijvoorbeeld geen wettelijke hypotheek kon vestigen op de persoonlijke goederen van de erfgenaam. Maar met de nieuwe wet zal dat dus wel kunnen.

Verruimde inhoudingsplicht voor schulden van aannemers

Als u bouwheer bent of een aannemer en u doet bij werken in onroerende staat beroep op een aannemer of onderaannemer die belastingschulden heeft op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, dan bent u hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden van die medecontractant. Die hoofdelijke aansprakelijkheid voor de fiscale schulden, loopt op tot 35% van de totale prijs van de werken of activiteiten, exclusief btw.
Er geldt een gelijklopende regeling voor de RSZ-schulden van de aannemer/onderaannemer. Daar loopt de hoofdelijke aansprakelijkheid zelfs op tot 100% van de totale prijs maar de hoofdelijke aansprakelijkheid voor RSZ en fiscale schulden samen mag ook niet meer dan 100% bedragen.
Dit geldt niet voor particulieren.

U kan die hoofdelijke aansprakelijkheid vermijden maar dan moet u een inhouding doen op het bedrag dat u verschuldigd bent en de som doorstorten naar de fiscus of RSZ. Voor de fiscale schulden bedraagt die inhouding 15%, voor RSZ bedraagt ze 35%. Op de website www.checkinhoudingsplicht.be  kan u controleren of u een inhoudingsplicht heeft.
Als u de inhouding en storting correct uitvoert dan bent u zoals gezegd verlost van de hoofdelijke aansprakelijkheid. Doet u die inhoudingen echter niet correct (u doet ze niet, of niet voldoende of niet tijdig), dan bent u dus wel aansprakelijk. De sommen die u al stortte worden gelukkig nog afgetrokken van de uiteindelijk verschuldigde som maar dat is slechts een magere troost.

Hoe verloopt het in de praktijk?

Als u op bovenvermelde website vaststelt dat u inhoudingen zal moeten doen, én het factuurbedrag bedraagt 7.143 euro of meer, dan moet u aan de medecontractant een attest vragen dat het bedrag van de schuld weergeeft. De medecontractant moet dat op zijn beurt bij de ontvanger vragen. Dat attest is 20 dagen geldig. Uw inhouding bedraagt in principe 15% van het factuurbedrag (excl. BTW). Als uit het attest blijkt dat de fiscale en niet-fiscale schulden hoger zijn dan de inhouding, dan moet u effectief 15% inhouden, anders mag u uw inhouding beperken tot het bedrag van de schuld. Ook als u het attest niet krijgt binnen de maand na de aanvraag moet u 15% inhouden.
Voor de RSZ verloopt deze procedure op dezelfde wijze maar daar bedraagt de inhouding zoals gezegd in principe 35%.

Detail - Finfacts

06.03.2020

Nieuw invorderingswetboek en de inhoudsplicht ten aanzien van aannemers

Nieuw invorderingswetboek en de inhoudsplicht ten aanzien van aannemers

Nieuw invorderingswetboek en de inhoudsplicht ten aanzien van aannemers

Op 1 januari 2020 trad het ‘Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen’ in werking. Dit nieuwe wetboek verzamelt en uniformeert de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

Hoofddoel van het invorderingswetboek

Het hoofddoel van het nieuwe wetboek is de harmonisatie van alle federale invorderingsregels. De nieuwe regels gelden:

voor bepaalde federale belastingen, nl. de inkomstenbelastingen, de bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing , de btw, de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, de diverse taksen en het rolrecht;

interesten, boetes en vervolgingskosten met betrekking tot de bovengenoemde belastingen;

gewestelijke belastingen waarvoor de dienst nog niet werd overgenomen door de gewesten (in Wallonië worden momenteel nog veel gewestelijke belastingen geïnd door de federale overheid);

sommige niet-fiscale schulden.

Nieuw begrip: de medeschuldenaar

Een schuldenaar wordt omschreven als:

de persoon op wiens naam de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen zijn opgenomen in het kohier of in het innings- en invorderingsregister, of tegen wie de rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen werd uitgesproken; en

in bijzondere gevallen, de werkelijke schuldenaar van de onroerende voorheffing.

Naast de schuldenaar is er de medeschuldenaar die omschreven wordt als de persoon die niet in het kohier of in het innings- en invorderingsregister is opgenomen en in de mate dat deze gehouden is tot de betaling van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen op grond van dit Wetboek, de fiscale wetten, de wettelijke of reglementaire bepalingen met betrekking tot niet-fiscale schuldvorderingen of het gemeen recht.
Het gaat dan om personen die onder de vroegere wetgeving hoofdelijk aansprakelijk waren voor de betaling van de belasting, zoals de echtgenoot, bestuurders, overdragers van een handelsfonds, leden van een btw-eenheid.

Het nieuwe invorderingswetboek biedt aan deze medeschuldenaren enkele extra rechten toe... maar er zijn ook enkele voetangels.
Medeschuldenaars kunnen voortaan, net zoals de schuldenaar zelf, beroep doen op bemiddeling. Ook hebben ze het recht om een onbeperkt uitstel van invordering te vragen (wat neerkomt op een kwijtschelding van de schuld).

Aan de andere kant krijgt de fiscus ten aanzien van medeschuldenaren grotere invorderingsbevoegdheden. Zo konden erfgenamen voor een belastingschuld wel als schuldenaar aangesproken worden maar niet als belastingschuldige. Dat betekent dat de fiscus bijvoorbeeld geen wettelijke hypotheek kon vestigen op de persoonlijke goederen van de erfgenaam. Maar met de nieuwe wet zal dat dus wel kunnen.

Verruimde inhoudingsplicht voor schulden van aannemers

Als u bouwheer bent of een aannemer en u doet bij werken in onroerende staat beroep op een aannemer of onderaannemer die belastingschulden heeft op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, dan bent u hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden van die medecontractant. Die hoofdelijke aansprakelijkheid voor de fiscale schulden, loopt op tot 35% van de totale prijs van de werken of activiteiten, exclusief btw.
Er geldt een gelijklopende regeling voor de RSZ-schulden van de aannemer/onderaannemer. Daar loopt de hoofdelijke aansprakelijkheid zelfs op tot 100% van de totale prijs maar de hoofdelijke aansprakelijkheid voor RSZ en fiscale schulden samen mag ook niet meer dan 100% bedragen.
Dit geldt niet voor particulieren.

U kan die hoofdelijke aansprakelijkheid vermijden maar dan moet u een inhouding doen op het bedrag dat u verschuldigd bent en de som doorstorten naar de fiscus of RSZ. Voor de fiscale schulden bedraagt die inhouding 15%, voor RSZ bedraagt ze 35%. Op de website www.checkinhoudingsplicht.be  kan u controleren of u een inhoudingsplicht heeft.
Als u de inhouding en storting correct uitvoert dan bent u zoals gezegd verlost van de hoofdelijke aansprakelijkheid. Doet u die inhoudingen echter niet correct (u doet ze niet, of niet voldoende of niet tijdig), dan bent u dus wel aansprakelijk. De sommen die u al stortte worden gelukkig nog afgetrokken van de uiteindelijk verschuldigde som maar dat is slechts een magere troost.

Hoe verloopt het in de praktijk?

Als u op bovenvermelde website vaststelt dat u inhoudingen zal moeten doen, én het factuurbedrag bedraagt 7.143 euro of meer, dan moet u aan de medecontractant een attest vragen dat het bedrag van de schuld weergeeft. De medecontractant moet dat op zijn beurt bij de ontvanger vragen. Dat attest is 20 dagen geldig. Uw inhouding bedraagt in principe 15% van het factuurbedrag (excl. BTW). Als uit het attest blijkt dat de fiscale en niet-fiscale schulden hoger zijn dan de inhouding, dan moet u effectief 15% inhouden, anders mag u uw inhouding beperken tot het bedrag van de schuld. Ook als u het attest niet krijgt binnen de maand na de aanvraag moet u 15% inhouden.
Voor de RSZ verloopt deze procedure op dezelfde wijze maar daar bedraagt de inhouding zoals gezegd in principe 35%.